Tussen mens en machine

Op 15 april 2026 stond Lisanne Buik in het Spoorwegmuseum in Utrecht voor een zaal vol professionals tijdens een evenement van Pegamento. Het had een keynote kunnen zijn zoals er zovelen worden gegeven over kunstmatige intelligentie: vol grafieken, toekomstscenario’s, tools, modellen en waarschuwingen over wat organisaties vooral niet mogen missen. Maar Buik koos een andere ingang. Haar verhaal ging niet in de eerste plaats over technologie. Het ging over mensen.
Over wat er gebeurt als technologische ontwikkelingen zo snel gaan dat organisaties nauwelijks nog tijd nemen om stil te staan bij de richting. Over de vraag hoe je AI niet alleen onder controle houdt met regels en toezicht, maar vooral hoe je voorkomt dat je de verkeerde dingen bouwt. En over een ongemakkelijke, maar noodzakelijke gedachte: dat de belangrijkste AI-vraag van dit moment misschien niet is wat de machine kan, maar wat de mens nog wil blijven doen.
Dat maakte haar keynote in Utrecht tot meer dan een technisch betoog. Het werd een verhaal over de spanning van deze tijd: tussen snelheid en bezinning, tussen efficiëntie en menselijkheid, tussen automatisering en verantwoordelijkheid.
Een zaal vol nieuwsgierigheid en onderhuids ook onrust
De aantrekkingskracht van AI is groot. Organisaties willen bijblijven, medewerkers willen snappen wat er verandert, bestuurders zoeken naar kansen zonder de grip te verliezen. Die mix van nieuwsgierigheid en nervositeit hing ook boven de bijeenkomst in het Spoorwegmuseum. Niet als openlijke paniek, maar als een herkenbaar gevoel dat in veel organisaties onder de oppervlakte leeft.
Buik gaf daar woorden aan. Ze schetste hoe overweldigend het AI-tempo inmiddels is geworden. Nieuwe modellen volgen elkaar in rap tempo op. Nieuwe tools verschijnen bijna dagelijks. Mogelijkheden stapelen zich op, terwijl de ethische vragen minstens zo snel toenemen. Het vraagt veel van mensen om dat allemaal niet alleen te volgen, maar ook meteen te vertalen naar beleid, processen en concrete keuzes.
Dat gevoel van overrompeling was geen bijzaak in haar verhaal, maar een belangrijk vertrekpunt. Want juist wanneer organisaties zich laten leiden door haast, ontstaat het risico dat reflectie wordt ingeruild voor implementatie. Dan wint de vraag “hoe snel kunnen we dit inzetten?” het van de vraag “waarom doen we dit eigenlijk en voor wie?”
Niet méér controle achteraf, maar betere vragen vooraf
In de kern draaide Buiks keynote om een eenvoudige maar fundamentele verschuiving in denken. Veel discussies over AI gaan over regulering, compliance en toezicht. Dat is logisch, want waar nieuwe technologie verschijnt, volgen vroeg of laat regels. Maar volgens Buik ligt de grotere opgave eerder in het proces.
Niet alleen controleren wat al gebouwd is, maar vóór die tijd betere vragen stellen.
Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar in de praktijk gebeurt vaak het omgekeerde. Organisaties experimenteren, rollen tools uit, koppelen systemen aan bestaande processen en proberen daarna de risico’s af te dekken. Ethiek en governance volgen dan op de implementatie, terwijl ze volgens Buik al in het ontwerp verankerd zouden moeten zijn.
Die gedachte gaf haar keynote een andere toon dan de gebruikelijke AI-verhalen. Ze sprak niet vanuit doemdenken, maar vanuit ontwerpdenken. Niet vanuit het idee dat technologie moet worden afgeremd, maar vanuit de overtuiging dat vooruitgang pas echt waardevol is als die bewust wordt vormgegeven.
Van Deep Blue tot ChatGPT: een geschiedenis van verwondering en ongemak
Om te laten zien dat deze vragen niet uit de lucht komen vallen, plaatste Buik de huidige AI-golf in een bredere historische context. Ze verwees naar het moment in 1997 waarop schaakkampioen Garry Kasparov verloor van IBM’s Deep Blue, een symbolisch omslagpunt dat liet zien dat een machine op een specifiek domein beter kon presteren dan een mens.

Wat die beelden volgens haar nog altijd zo fascinerend maakt, is niet alleen de wedstrijd zelf, maar vooral de reactie van de mensen eromheen. Het ongeloof. De verwarring. De stille vraag die daar al in besloten lag: als de computer dit kan, wat betekent dat dan voor ons?
Diezelfde vraag keerde, in veel bredere vorm, terug met de opkomst van generatieve AI. Het moment waarop ChatGPT voor veel mensen zichtbaar maakte dat AI niet langer een abstract onderzoeksveld was, maar een praktische, toegankelijke technologie. Ineens kon iedereen ermee schrijven, samenvatten, brainstormen, vertalen, analyseren. Niet perfect, maar wel goed genoeg om werkprocessen merkbaar te veranderen.
Volgens Buik begon daar voor veel organisaties de echte versnelling. Niet alleen technologisch, maar ook cultureel. Want vanaf dat moment werd AI geen onderwerp meer voor een klein team van experts, maar een factor in vrijwel elk gesprek over werk, klantcontact, innovatie en concurrentiekracht.
AI is niet langer ergens, het is overal tegelijk
Een van de sterkste lijnen in de keynote was Buiks uitleg van vier grote verschuivingen die volgens haar onder de huidige AI-golf liggen. Die ontwikkelingen maakten haar verhaal concreet en hielpen verklaren waarom het onderwerp nu zo veel impact heeft.
De eerste verschuiving: AI gaat van ergens naar overal.
Waar veel mensen AI nog associëren met een chatvenster of een slimme assistent op een scherm, ziet Buik dat de technologie zich razendsnel verspreidt naar allerlei vormen en interfaces. Niet alleen in software, maar ook in brillen, microfoons, spraakgestuurde toepassingen en apps die steeds dichter op het dagelijks leven zitten.
Dat betekent dat AI niet meer iets is waar je actief naartoe gaat. Het komt steeds vaker naar jou toe. Het luistert mee, helpt mee, denkt mee, organiseert mee. Voor gebruikers kan dat handig zijn. Maar het maakt de technologie ook indringender. Zodra AI dichter op gesprekken, keuzes en relaties komt te zitten, worden vragen over privacy, transparantie en menselijke grenzen veel tastbaarder.
Juist daarin zat de spanning die Buik voelbaar maakte. Niet alleen: wat kan deze techniek? Maar ook: wat doet het met onze manier van leven, werken en omgaan met elkaar?
Van af en toe gebruiken naar een systeem dat altijd doorwerkt
De tweede verschuiving die Buik beschreef, is dat AI van soms naar altijd gaat.
Mensen hebben rust nodig. Organisaties kennen werktijden, vergaderstructuren en afwegingen. AI-systemen kennen dat allemaal niet. Zij kunnen in principe continu werken, taken oppakken, stappen doorlopen en processen uitvoeren, ook als niemand toekijkt. Dat maakt veel toepassingen aantrekkelijk: rapportages genereren, data analyseren, workflows versnellen, repetitief werk overnemen.
Maar volgens Buik verandert daarmee ook de aard van het risico. Het gaat niet langer alleen om een losse prompt of een eenmalige output, maar om systemen die steeds zelfstandiger kunnen handelen binnen een proces. Dat vraagt om nieuwe vormen van begrenzing. Hoeveel vrijheid krijgt zo’n systeem? Welke beslissingen mag het zelf nemen? Wanneer moet een mens kunnen ingrijpen? En wie is verantwoordelijk als het misgaat?
Dat zijn vragen die in veel organisaties nog onvoldoende zijn uitgewerkt, juist omdat de verleiding groot is om vooral te kijken naar de productiviteitswinst. Maar hoe groter de autonomie van een systeem, hoe belangrijker de ontwerpkeuzes worden die daaraan voorafgaan.
Ook de fysieke wereld komt in beeld
De derde ontwikkeling die Buik benoemde, was de beweging van AI van digitaal naar fysiek. Robotisering is volgens haar geen verre toekomstmuziek meer, zeker niet in industriële omgevingen. Naarmate motoriek, sensortechnologie en AI-sturing verfijnder worden, zal de impact van kunstmatige intelligentie zich ook steeds zichtbaarder buiten het scherm afspelen.

Dat vooruitzicht roept meteen een ander soort reacties op. Niet alleen vragen over efficiëntie, maar ook over nabijheid, acceptatie en verlies. Wat gebeurt er als taken in de fysieke wereld verdwijnen? Hoe voelt het als robots niet alleen in fabrieken staan, maar op termijn ook in huishoudens of zorgomgevingen opduiken? Welke vormen van menselijke aanwezigheid zijn vervangbaar en welke juist niet?
Buik behandelde die vragen niet als sciencefiction, maar als serieuze vooraankondiging van een debat dat nog volop moet worden gevoerd. Juist omdat technologie steeds concreter wordt, wordt ook de menselijke reactie erop concreter.
Iedereen wordt maker en dat is tegelijk hoopvol en riskant
De vierde verschuiving raakte aan iets wat voor veel organisaties heel herkenbaar is: AI gaat van iemand naar iedereen.
Waar programmeren lang het terrein was van specialisten, kunnen inmiddels veel meer mensen met behulp van AI toepassingen bouwen, automatiseren en combineren. Dat opent deuren. Niet-technische professionals kunnen sneller ideeën uitproberen en processen verbeteren. De afstand tussen idee en uitvoering wordt kleiner.
Buik zag daarin ook iets hoopvols: creativiteit en initiatief worden breder toegankelijk. Maar tegelijk maakt die ontwikkeling organisaties kwetsbaar. Want zodra veel meer mensen iets kunnen bouwen, ontstaat ook het risico dat toepassingen live gaan zonder voldoende veiligheid, toetsing of reflectie.
Dat is een van de paradoxen van deze tijd. AI democratiseert innovatie, maar maakt governance moeilijker. Juist omdat de technologie laagdrempeliger wordt, stijgt de noodzaak om heldere waarden en kaders te formuleren.
Achter de technologie schuilt een mensbeeld
Misschien wel het meest gelaagde deel van Buiks keynote was het filosofische middenstuk. Daar stelde zij de vraag wat er eigenlijk onder onze omgang met AI ligt. Want wie spreekt over efficiëntie, vervanging en optimalisatie, spreekt uiteindelijk ook over de mens, al wordt dat niet altijd hardop gezegd.
Buik zette twee wereldbeelden tegenover elkaar.
In het eerste wereldbeeld is de mens in essentie een biologische machine: slim, complex, maar uiteindelijk verklaarbaar en optimaliseerbaar. Vanuit die blik is het logisch om AI te zien als iets dat menselijke taken kan overnemen zodra het voldoende krachtig is. De machine wordt dan de concurrent. De mens is tijdelijk nog nodig, maar niet principieel onmisbaar.
Daartegenover plaatste zij een relationeler mensbeeld, dat zij verbond aan de filosofie van Ubuntu: ik besta in relatie tot anderen. De mens is daarin niet alleen een rekeneenheid of productiemiddel, maar een sociaal, moreel en creatief wezen. Iemand die betekenis ontleent aan context, samenwerking, oordeel en verbondenheid.
Dat verschil is meer dan een intellectuele nuance. Volgens Buik bepaalt het hoe organisaties AI ontwerpen. Wie de mens ziet als vervangbaar, zal technologie anders inzetten dan wie de mens beschouwt als moreel en relationeel ankerpunt. Daarmee werd haar keynote ook een oproep om eerlijk te zijn over de aannames achter AI-strategie.
Wat organisaties vaak te laat ontdekken
Een belangrijk deel van het verhaal draaide om voorbeelden van situaties waarin AI of algoritmische systemen ontspoorden. Niet om te choqueren, maar om te laten zien hoe vaak de kern van het probleem terug te voeren is op te laat gestelde vragen.
Buik noemde onder meer een chatbot die was ontwikkeld om mensen met een eetstoornis te begeleiden, maar in de praktijk adviezen gaf die juist schadelijk uitpakten. Wat daar misging, was niet alleen een technische fout, maar ook een ontwerpkeuze. Blijkbaar was niet diep genoeg doordacht wat “behulpzaam” betekent in een kwetsbare context.
Ook voorbeelden van discriminatie, uitsluiting en gebrekkige controle kwamen langs. In zulke casussen werkt AI niet neutraal. Het versterkt aannames, reproduceert patronen en kan beslissingen legitimeren die voor betrokkenen grote gevolgen hebben. Wanneer niemand tijdig ingrijpt, kan schade zich bovendien opstapelen.
Die voorbeelden lieten zien dat ethiek in AI niet iets abstracts is voor beleidsnotities of conferentiezalen. Het gaat over echte mensen, echte fouten en echte gevolgen. Over klanten die onterecht worden uitgesloten. Over burgers die verkeerd worden beoordeeld. Over medewerkers die hun werk anders moeten doen zonder dat duidelijk is wat hun nieuwe rol nog is.
De vraag die alles verandert: vervangen of ondersteunen?
Onder veel voorbeelden uit de keynote lag één terugkerende spanning: is AI bedoeld om mensen te vervangen of om hen te ondersteunen?
Buik maakte dat tastbaar met het voorbeeld van organisaties die AI eerst omarmen als middel om grote groepen medewerkers overbodig te maken, om later te ontdekken dat menselijke kwaliteit niet zomaar in een systeem te vangen is. In klantcontact, besluitvorming en begeleiding blijkt vaak juist dat nuance, context en empathie niet eenvoudig verdwijnen uit het proces zonder dat ook de kwaliteit afneemt.
Daarmee pleitte zij niet voor romantisering van menselijke arbeid of afwijzing van automatisering. Wel voor scherpte. Want wie niet expliciet vastlegt welke rol de mens houdt, loopt het risico dat efficiëntielogica vanzelf de boventoon voert. Dan sluipt vervanging het proces binnen zonder dat daar een volwassen gesprek over is gevoerd.
Volgens Buik hoort de mens “in the lead” te blijven waar oordeel, verantwoordelijkheid en relationele afweging essentieel zijn. Niet omdat machines niets kunnen, maar omdat niet alles wat telt, in output of snelheid te vangen is.
Van compliance naar ethiek als ontwerpkracht
Tijdens haar keynote werkte Buik ook een groeipad uit voor organisaties. Dat maakte haar verhaal praktisch en relevant voor de aanwezigen in Utrecht, van wie velen bezig zijn met digitalisering, klantcontact, dienstverlening en innovatie.
Helemaal onderaan dat pad staat de fase die zij typeerde als het wilde westen: tools worden ad hoc ingevoerd, experimenten volgen elkaar op, snelheid is belangrijker dan reflectie. Daarna komt de fase van compliance, waarin organisaties beleid, regels en basiscontrole optuigen om aan wet- en regelgeving te voldoen.
Maar volgens Buik is dat nog niet het eindpunt. De volgende stap is strategische volwassenheid: AI wordt dan niet alleen toegestaan of begrensd, maar bewust ingericht op schaalbaarheid, controleerbaarheid en consistentie. Pas daarna komt de fase waar zij echt naartoe wil: ethisch by design.
In die benadering zijn waarden niet langer een correctie achteraf, maar een ontwerpprincipe. Je vraagt niet pas na livegang of iets eerlijk, verantwoord of mensgericht is. Je neemt die vragen mee vanaf de eerste ontwerpkeuzes.
Dat idee sloot direct aan op de samenwerking die zij noemde met Pegamento. Het ging daarbij om de ambitie om AI niet alleen technisch en juridisch te benaderen, maar ook organisatorisch en ethisch volwassener te maken.
Een framework dat begint bij de juiste vragen
Buik presenteerde daarvoor een framework met vijf centrale invalshoeken: generativity, resonance, agency, connectivity en embodiment. Achter die termen schuilt een poging om organisaties systematisch te laten nadenken over de mens-AI-relatie.
Bij generativity draait het om de vraag welk doel een toepassing werkelijk dient en welke waarde die op langere termijn creëert. Is het alleen een instrument voor snelle winst, of draagt het daadwerkelijk bij aan betere dienstverlening, betere samenwerking of een gezondere organisatie?

Resonance gaat over aansluiting bij de gebruiker. Past de toepassing bij de leefwereld van de mensen die ermee te maken krijgen? Werkt het systeem eerlijk en betekenisvol voor verschillende groepen, of bevoordeelt het bepaalde typen gebruikers terwijl anderen worden benadeeld?
Agency draait om regie. Hoeveel controle houdt de mens? Wanneer blijft menselijke tussenkomst noodzakelijk? En waar ligt de grens tussen ondersteuning en vervanging?
Connectivity kijkt naar samenwerking en verbinding. Versterkt de technologie menselijke relaties, toegankelijkheid en contact? Of ontstaat juist afstand, uitsluiting of nieuwe silo’s?
Embodiment tenslotte gaat over evaluatie, leren en doorontwikkeling. Is er structureel toezicht? Wordt er actief geleerd van fouten? En blijft een systeem in beweging, of wordt het na ingebruikname aan zijn lot overgelaten?
Wat Buiks aanpak sterk maakte, was dat zij deze vragen niet als theoretisch model presenteerde, maar als hulpmiddel voor echte ontwerpbeslissingen. Ethiek werd daarmee minder vaag en meer werkbaar.
Een moment van stilte in een verhaal over snelheid
Misschien wel het meest menselijke moment van de keynote kwam toen Buik de zaal vroeg om even de ogen te sluiten. Geen theatrale geste, maar een korte uitnodiging tot bezinning. Wat blijft er, na alle voorbeelden en toekomstscenario’s, hangen als iets dat echt belangrijk is? Welke zorg, welk ongemak of welke blinde vlek krijgt in de eigen organisatie nog te weinig aandacht?

Het was een klein moment, maar veelzeggend. Juist in een verhaal over technologie, snelheid en ontwerp maakte zij ruimte voor vertraging. Alsof zij wilde laten zien dat volwassen omgaan met AI niet alleen begint met kennis, maar ook met aandacht. Met de bereidheid om ongemak niet direct weg te drukken, maar serieus te nemen.
Dat moment paste bij de bredere ondertoon van haar keynote. Dit ging niet over het afremmen van innovatie uit angst, maar over het terugwinnen van morele ruimte in een tijd waarin technologische logica vaak alles dreigt te domineren.
Een hoopvol verhaal, juist omdat het niet naïef is
Opvallend genoeg eindigde Buik niet somber. Hoewel haar keynote vol risico’s, dilemma’s en misstanden zat, was de toon niet cynisch. Ze schetste juist een toekomst waarin AI veel goeds kan brengen, mits mensen de leiding niet uit handen geven.
Ze sprak over mogelijkheden om werk anders in te richten, om onderwijs persoonlijker te maken, om creativiteit te vergroten en om innovaties te versnellen die bijdragen aan een duurzamere en rijkere samenleving. Niet als vaststaand toekomstbeeld, maar als richting. Een kans die alleen werkelijkheid wordt als organisaties bereid zijn moeilijke vragen te stellen, grenzen te trekken en waarden serieus te nemen.
Dat gaf haar verhaal iets menselijks en geloofwaardigs. Geen blind optimisme, maar een hoop die voortkomt uit verantwoordelijkheid. Niet: AI lost het wel op. Maar: we kunnen er iets goeds van maken, als we het bewust ontwerpen.
Wat van deze keynote blijft hangen
De keynote van Lisanne Buik op 15 april 2026 in het Spoorwegmuseum in Utrecht was daarmee in wezen een pleidooi voor volwassenheid. Niet technologisch volwassen in de zin van méér implementaties, méér tools of méér automatisering, maar moreel en organisatorisch volwassen.
Haar verhaal maakte duidelijk dat de AI-vraag van deze tijd niet alleen gaat over innovatie, maar over richting. Over leiderschap. Over de verhouding tussen mens en machine. Over de moed om niet alleen te vragen wat er kan, maar ook wat wenselijk is.
Dat is misschien precies waarom haar verhaal bleef hangen. Omdat het midden in alle snelheid een eenvoudig, maar urgent principe terugbracht: technologie verdient pas vertrouwen wanneer mensen vooraf bereid zijn de juiste vragen te stellen.
En misschien was dat, op die aprilmiddag in Utrecht, wel de meest waardevolle boodschap van allemaal. Niet dat de toekomst al vastligt, maar dat zij nog ontworpen kan worden, zolang de mens niet vergeet dat hij zelf nog altijd aan het roer hoort te staan.
Pegamento en het GRACE-framework
Pegamento ziet het GRACE-framework als een waardevolle route naar volwassen AI-gebruik. Niet als theoretisch model, maar als praktisch kompas voor organisaties die AI willen inzetten zonder de menselijke maat uit het oog te verliezen. Door deze benadering te omarmen, onderstreept Pegamento dat verantwoord AI-gebruik begint bij ontwerp, leiderschap en de juiste vragen vooraf.
Benieuwd hoe dit framework in de praktijk werkt en wat het voor jouw organisatie kan betekenen? Neem dan contact op met Pegamento voor een verdiepend gesprek over ethisch en strategisch AI-ontwerp.


